Kort verhaal


Max kijkt nog even in de spiegel in de entreehal. Onder zijn blonde krullen heeft hij een frisse blos van de fietstocht. Zijn jeugdige spiegelbeeld contrasteert pijnlijk met het craquelé van het verweerde glas. Hij trekt zijn gezicht in de plooi. De deur kraakt als Max de kamer binnengaat. De oude baron lacht zijn vergeelde tanden bloot onder zijn enorme grijze druipsnor: “Ha, kom binnen, beste kerel! Kom binnen en ga zitten.” Voor hij met zijn trillende hand de as van zijn sigaar kan tippen, valt de kegel uiteen boven zijn versleten zijden kamerjas. Hij heeft het niet in de gaten. Met een zucht blaast hij de rook uit en kijkt naar buiten, naar de kale bomen langs zijn oprijlaan. Dan wendt hij zich weer tot Max: “En, vertel eens. Hoe was het vorige week op het Hoogoven Schaaktoernooi? Heb je ze daar weer eens alle hoeken van de kamer laten zien, grootmeester?”
Zijn gegrinnik eindigt in een hoestbui.

Max moet even omschakelen. O ja. Hij bedoelt het Tata Steeltoernooi.
“Nou, ik mag niet mopperen met mijn vijfde plek. Ik mag daar in IJmuiden natuurlijk niet iéder jaar op het podium gaan staan, hè. Dan zou de rest nooit meer terug durven te komen.”
De waterige ogen van de baron lichten glimmend op. “Ha! Die is goed, dekselse snaak dat je er bent! Die is goed, zeg. Nou, zullen we dan maar?”
De oude man pakt een witte en een zwarte pion van het klaar staande bord, schudt ze geroutineerd achter zijn rug in zijn handen en laat Max er dan blind eentje kiezen. Het is de zwarte.
“Ha, net als je overgrootvader-zaliger. Die trok ook altijd zwart. Maar ach, echte genieën hebben het geluk ook minder nodig, hè.”

De Herenkamer – zoals de baron hem  liefkozend pleegt te noemen – staat langzamerhand blauw-grijs van de  sigarenrook. Het is stil. Behalve het tikken van de regen op de manshoge ramen is alleen af en toe het schuiven van een schaakstuk te horen. Ze schaken rustig door en nemen ruim de tijd voor iedere zet. Dan hoort Max een zacht geruis achter zich. Het is Aldegonde, de bejaarde dienstbode. Ze schuifelt glijdend door de Herenkamer. Met haar witte schort over haar wat versleten grijze jurk lijkt ze haast te vervloeien met de vervallen kamer om haar heen. Zoals iedere ochtend zet ze het verweerde zilveren dienblad naast het schaakbord. Daarop staan twee porseleinen kopjes koffie en twee grote bellen cognac. Nou ja. Op Max’ heimelijke verzoek zit in het zijne tegenwoordig gelukkig Ice-Tea. De baron heeft dat niet in de gaten en heft zijn glas: “Cheers, old chap. Laat het je smaken!”

Max zit in dubio over zijn volgende zet. De baron heeft zijn toren verplaatst. Nu heeft zijn paard geen dekking meer. Max zou het zonder gevolgen kunnen slaan. Dat zou de baron vreselijk vinden. Maar, als de baron nu zijn blunder inziet, en Max het paard niét slaat, verliest hij bij de baron iedere geloofwaardigheid als ‘schaakgrootmeester’. Een pijnlijk dilemma. Wát hij ook kiest, het is niet goed, lijkt het wel. Max stelt de keuze nog even uit. Hij drinkt rustig zijn koffie. Die is goed hier. Echt goed.

Maandag 14 september was het, een half jaar geleden. Toen had hij hier in het grote landhuis voor het eerst deze lekkere koffie gedronken. Uit zo’n zelfde soort kopje. Maar dat was niet hier in deze Herenkamer. Dat was ’s middags in de salon. Er werd gedempt gesproken terwijl de baron boven zijn middagdutje deed.

Twee weken daarvoor, op 1 september, was Max onverwacht ontslagen toen AgriZorg plotseling failliet was gegaan door fraude met subsidies. Als zorguitzendkracht trok hij aan het kortste eind. Geen recht op uitkering. Zijn spaargeld was binnen de kortste keren op. Hij lag er ’s nachts wakker van. De huur moest betaald worden. En hij wilde zijn kleine landarbeidershuisje hier in polder beslist niet kwijt. Veel vertrouwen had hij niet in zijn kansen op de arbeidsmarkt. Zo realistisch was hij wel. Want welk bedrijf in een klein boerendorpje zit te wachten op een gesjeesde filosofiestudent zonder vakdiploma?
Met weinig verwachtingen had hij de bus naar de stad genomen om zijn gezicht maar weer eens bij het uitzendbureau te laten zien. Dat hielp soms, had hij vroeger gemerkt. De blonde consulente met het blauwe shawltje om haar nek gedrapeerd – die uitzendmeiden zien er ook altijd allemaal het zelfde uit, dacht hij – schudde professioneel glimlachend haar hoofd: “Nee, helaas….”
Toen Max al weer naar de deur liep, bedacht ze zich. “Oh.. Wacht eens. Er is net iets binnengekomen. Maar of dat nou wat voor jou is…. Een beetje vreemde baan. En alleen parttime geloof ik.” Maar dat maakte Max niet uit. Hij was blut.

De blonde consulente had hem een uitgebreid formulier in laten vullen. Bijvoorbeeld. Werkervaring: zorgassistent.  Diploma’s: propedeuse filosofie. Hobby’s: schaken, toneelclub, met vreemde mensen kletsen. Dat laatste had hij er maar bij verzonnen. Anders bleef dat derde vakje zo leeg. Per wanneer beschikbaar: Meteen. Gewenst salaris voor 5 ochtenden per week: Bij die vraag was hij balorig geworden: Genoeg om lekker van te kunnen leven. 2500 netto p/m.  Ja, wie stomme vragen stelt kan stomme antwoorden verwachten, dacht hij in de bus terug naar huis. Nou, ja. Jammer maar helaas, volgende keer beter.

Maar. De volgende ochtend, toen hij nog in bed lag, werd hij gebeld. Of hij die middag langs kon komen voor een gesprek. Oei. Dan moest hij eerst wel even zoeken naar schone, nette kleren. Het opgegeven adres lag buiten het dorp. Het was wel een eindje fietsen. Daar aangekomen bleek het een heus landhuis te zijn. Toen hij het einde van de oprijlaan bereikt had, werd de voordeur al geopend door een grijze dame. In Max’ ogen paste ze precies in de entourage. Ze droeg een lange paarsige jurk en een grijze vlecht kringelde rond haar hoofd.
“Dag mevrouw, ik ben Max van Dam en ik kom voor de vacature.”
Ze had een onverwacht krachtige handdruk. Ze dempte haar stem: “Dag jongeman, ik word gewoonlijk aangesproken met Freule, niet met Mevrouw.”
“Zoals u wilt, eh freule.”
Ze nam hem mee naar de salon. De goudbrokaten gordijnen deden oud en vermoeid aan. De stoel waar hij op zat ook.
“Ik zal meteen ter zake komen. Eh, Max heet je toch, hè?” Hij knikte.
Met gedempte stem vervolgde ze vertrouwelijk: “Het gaat om mijn broer, Emile. Emile Baron Van Borinchem-Droezelen voluit. Maar eerst één ding jongeman, hij mag nooit iets te weten komen over dit gesprek. Compris?!”
Max knikte verdwaasd, waar was hij in hemelsnaam verzeild geraakt?
“Mijn broer en ik wonen nog steeds op ons ouderlijke landgoed.  We zijn allebei ongetrouwd gebleven. Maar mijn lieve broer gaat nu steeds verder achteruit. De dokter zegt het ook. Emile wordt somber en verward. Hij glijdt weg. Er is nog maar één ding waar hij van opleeft. Als hij zich weer een topschaker kan voelen, net als vroeger. En als hij kan winnen. Dan straalt hij uren lang. Dat gun ik hem zo. Maar al zijn schaakvrinden zijn al verhuisd of overleden.”

Max keek haar bevreemd aan: “Maar ik bén helemaal geen topschaker. Alleen op de basisschool was ik een keer schaakkampioen in groep zeven. Verder kan ik….”
De freule legde hem met een handgebaar het zwijgen op. “Luister! Jij kunt schaken en jij kunt toneelspelen. Én jij heet Max. Net als de vroegere schaakgrootmeester Max Euwe. Ken je die? Nou, jij heet hier op het landgoed voortaan niét Max van Dam, maar Max-Euwe-júnior. De achterkleinzoon ván. Jij bent dus zelf ook schaakgrootmeester en jij speelt internationale toornooien. En jij komt hier  met mijn broer schaken. Iedere ochtend. Vijf dagen in de week. En je laat hem vaak winnen. Maar dat mag hij nooit, maar dan ook nóóit in de gaten hebben. Hij moet tegen jou op blijven kijken en trots zijn als hij een grootmeester zoals jij schaakmat heeft kunnen zetten. Duidelijk?”
Nee, het was Max niet duidelijk, hij snapte er eerlijk gezegd niks meer van.

Er werd op de deur geklopt en een dienstbode kwam binnen, met koffie op een zilveren dienblad. Ze zette het voorzichtig neer en vertrok weer. Alles zwijgend.
“Dank je wel, Aldegonde.”  
De freule liet haar blik even steels over Max glijden, van boven naar beneden: “Maar in deze kleren kun je niet door het leven als Max Euwe jr. Aldegonde zal je zo meteen wel even een overhemd en een tweed jasje van de zolder meegeven. Dan kom je wat geloofwaardiger over. En ik wil dat je op Wikipedia alles leest over internationale schaaktoernooien en over Max Euwe, jouw zogenaamde overgrootvader. Want Emile is een grote bewonderaar van hem. Gebruik je suiker en melk?”  

Max zweeg. Totaal overdonderd nam hij een slok van zijn koffie. Die oude dienstbode zette echt verdomd goeie koffie! Dat moest gezegd worden. Maar niets in hem was van plan om een rol te krijgen in dit absurde bejaardentoneelstuk. Ook nog eens in andermans stoffige oude colbertje.
De freule zette haar kopje neer en keek opzij naar de staande klok:  “Oh ja. Wat je salaris betreft. Je stelt wel een rare eis, jongeman, een héle rare!”
Voor Max wat terug wilde gaan krabbelen – dat had ze niet gezien – vervolgde ze al: “Maar, jij bent eerlijk gezegd wel de eerste kandidaat waar ik een beetje vertrouwen in heb. Dus kom maar op proef. Ik verwacht je morgenochtend om half tien precies. En als mijn broer goed op jou reageert, ben jij dat salaris voor mij wel waard. Dan ben je aangenomen. Duidelijk zo?”
Ze klingelde plots resoluut met een belletje voor de dienstbode en gaf Max een hand ten teken dat ze het onderhoud als beëindigd beschouwde.
Max was met de dienstbode mee de salon uitgelopen. Zijn hoofd vol ongeloof, maar ook vol fluitende vogeltjes, optimistische zonneschijn en het vooruitzicht op een riant salaris. Plus de nasmaak van goede koffie. Hij juichte van binnen. Een baan!

De baron stoot hem aan. “Zeg, wat zit je nou de hele tijd te dromen, grootmeester? Jij bent aan zet hoor!” Max schiet met zijn gedachten meteen weer terug in het nu. En in zijn dilemma.
Maar even-wegdromen blijkt nuttig. Want ineens weet het wat hij moet doen. Hij wijst naar het paard en kijkt zijn grijze tegenspeler schrander aan: “Ha, daar moet ik zeker intrappen, hè? Echt niet! Een schaker van uw kaliber geeft nooit per ongeluk een paard weg. Zo naïef ben ik niet meer. Ik heb mijn lesje wel geleerd met die doortrapte offers van u. Dan zit er altijd een addertje onder het gras.”
Hij ziet de baron schichtig naar de hoek van het schaakbord kijken waar zijn bedreigde paard kwetsbaar staat te wachten op afslachting. Als Max het paard niet slaat maar elders op het bord een sullige pion verschuift, kan de oude man kan met moeite zijn opluchting verbergen.

Zo schaken ze rustig en gemoedelijk verder. Op het laatst verzuimt Max een pion te laten promoveren tot koningin en kan de oude baron winnen. Max schudt hem hartelijk de hand: “Gefeliciteerd! U speelt de laatste tijd steeds sterker. Twee keer remise en nu al weer drie partijen op rij gewonnen. Ik moet weer in mijn schaaktheorie gaan duiken, merk ik wel.”
De baron tikt een paar keer boven op zijn kalende hoofd en kijkt Max glunderend aan: “Ja hierboven is alles nog dik in orde jongeman. Wát de dokter en mijn lieve zus ook mogen beweren. En ik ken mijn schaakklassiekers natuurlijk op mijn duimpje. Van de Siciliaanse opening tot het Dame-gambiet. Maar eh… Als je me nu wilt verexcuseren Max, dan ga ik me zo even opfrissen voor de lunch. Ik kan Aldegondes heerlijke gebraden gans hier al ruiken. Nou. Tot morgen dan maar weer hè…”

(c) Han Pijs 2024