Kort verhaal
Het is druk bij de kluisjes op het station. Omringd door jachtige treinreizigers hangt Jan-Joost zijn saxofoon om en schuift zijn lege instrumententas in het kluisje. Jelle en Jacob doen hetzelfde met hun accordeon en trommel. Ondertussen checkt Jan-Joost even zijn uiterlijk in een spiegelende ruit. Heel belangrijk op zo’n dag als vandaag. De zwarte lijntjes kohl rond zijn ogen vallen mooi op onder zijn trotse krullenbol. Dat doet het goed bij de vrouwen in het publiek, heeft-ie gehoord. Jacob en Jelle kijken lichtelijk verbaasd naar hem, maar zeggen niets. Ach ja, die twee. Jelle met zijn Friese accent is al negendejaars student. En die Jacob met zijn brave blonde haartjes kan nog steeds niet goed ritme houden. Maar met hen heeft hij geen echt moeite. Zo anders dan met die eigenwijze Hermine. “Hé, waar blijft ze nou weer? Ze had hier al een kwartier geleden moeten zijn. Nou, dan maar zonder haar. We moeten nu echt vertrekken!”
Het bandje bestond nu een paar maanden. Ze vonden het alle drie prima om bij Jan-Joost thuis te kunnen repeteren. Hij had een heuse bovenwoning voor zichzelf, de anderen woonden nog op kamers. Voor Jan-Joost werden het thuiswedstrijden. Hij genoot van die centrale rol. Niet dat hij zo’n goede muzikant was, hij studeerde de nummers nauwelijks in en improviseerde maar wat raak op de repetities. Daar ging hij regelmatig de mist mee in bij hun strijdliederen als ‘De Internationale’ of ‘O lio lio la’. Maar er werd niet openlijk op zijn fouten gereageerd. Behalve door Hermine dan. Hermine met haar lange zigeunerachtige rokken, haar rinkelende armbanden en haar patchoeli-geurtje. Van boven haar vioolsnaren konden haar donkere ogen Jan-Joost nogal dwingend aankijken als hij weer eens een break vergat. Ze zei dan niets. Dat was niet nodig.
Voor het effect had hij de aankondiging eergisteren expres tot het einde van de repetitie bewaard: “Jongens, goed nieuws! Ik heb ons eerste optreden geregeld. Overmorgen bij de demonstratie tegen de ontruiming van de krakers in het oude Stadsziekenhuis!”
Het viel even stil.
Jan-Joost haalde opgelucht adem toen Jacob en Jelle vervolgens alleen vroegen naar de tijden en de andere details. Maar Hermine, dat was andere koek: “Nee, Jan-Joost daar zijn we echt nog niet aan toe. We kennen nog maar vijf nummers. En die gaan ook nog vaak fout.” Ze zei er maar niet bij wiéns fouten dat meestal waren. Dat voelde hij zelf wel.
“En daarbij is mijn nieuwe viool veel te kwetsbaar om mee op een demonstratie te spelen. Ik vind het niks!”
Jan-Joost had eerst demonstratief zijn ogen gesloten en diep gezucht: “Hoezo? Jij bent er toch ook tegen dat die krakers ontruimd worden? Aan welke kant sta jij eigenlijk Hermine? Aan de kant van het grootkapitaal?”
Hermine rolde zwijgend met haar ogen.
Het was al laat en Jan-Joost gokte er maar op dat ze niet zou durven weigeren: “Dus! Tot overmorgen allemaal, om twee uur bij de kluisjes op het station!”
Met hun instrumenten in de aanslag vliegen ze nu alle drie snel het stationsplein op. Daar wil de stoet van zo’n vijftig man met spandoeken juist gaan vertrekken. Als muzikale begeleiding gaan ze voorop lopen. De paar nummers die ze kennen worden al lopend voortdurend weer herhaald. De rijen achter hen beginnen soms aarzelend mee te zingen: “Bella Ciao.” Of: “Bei mit bist du schöhn, wij leven van de steun, wij leven van het crisiscomité….”
De sfeer komt er in. De saxofoon, accordeon en trommel klinken ook best goed samen. Al mist Jan-Joost wel Hermines vioolspel. Eerlijk is eerlijk, ze speelt echt heel goed. Maar hij is nu vooral gepist op haar! Gepist dat ze zich niets van de afspraak heeft aangetrokken. Altijd gedoe met die meid.
Een kwartier later komt het gekraakte oude Stadsziekenhuis in de verte in zicht. Er staat op het trottoir links veel publiek te kijken. Aan de overkant van de straat staan agenten bij een lange rij ME-busjes en arrestantenwagens te wachten. De stoet kan niet tot bij het kraakpand doorlopen. Iets verderop is de straat afgesloten met dranghekken. Daarachter staat het helemaal vol agenten. In de stoet beginnen luide spreekkoren de muziek te overstemmen: “Èm – Eé, Weg er mee! Èm – Eé, Weg er mee!” Bij aan de dranghekken komen ze tot stilstand.
De agenten achter de hekken worden wat onrustig, de honden blaffen. Er staat zo te zien juist wat te gebeuren. Een groep agenten loopt met een soort stormram naar de voordeur van het kraakpand. Daarbij willen ze blijkbaar niet te veel pottenkijkers vlakbij in de buurt hebben. Een paar agenten lopen op het dranghek toe: “Achteruit allemaal! Weg van de dranghekken.”
Iedereen blijft staan. Dan komt er vanuit een geparkeerd politiebusje een jong agentje dreigend aanlopen: “Vooruit! Weg! Anders wordt u gearresteerd. Wegwezen!”
Naast Jan-Joost hebben zich bij het dranghek ondertussen een hoop fotografen verzameld. Hij ruikt ineens zijn kans. Hij klikt zijn saxofoon los en gaat er expres zover mogelijk mee over het dranghek heen hangen. Uitdagend tettert hij een eind raak in de richting van de politiemacht achter het hek. Daarna kijkt hij glorieus opzij naar de fotografen. Ja hoor. Die hebben hem nu vol in beeld. Klik, klik, klik! Hij voelt het in al zijn vezels: dit is zijn dag! Zijn moment van glorie! Hij ziet de krantenfoto’s van morgenochtend al voor zich. De dappere saxofonist die de agressieve knechten van het grootkapitaal trotseert.
Oooh! Kut! Au!!!! Ineens klapt hij haast dubbel van de pijn.
Die tikken van zo’n wapenstok komen gemeen hard aan. Niet alleen op zijn schouder, ook op zijn saxofoon. Daar zit nu een deuk in. Maar ook in zijn trots. Ineens is Jan-Joost omringd door dienders en wordt hij als een schooljongen met harde hand meegevoerd naar de arrestantenbus verderop in de straat. De twee andere muzikanten zijn nergens meer te bekennen. Jan-Joost moet even staan wachten als een paar anderen vóór hem de bus ingejaagd worden. Dan ruikt hij vanuit de toeschouwers op het trottoir ineens een bekend patchoeli-geurtje. Een vrouwenhand met rinkelende armbanden reikt naar hem: “Jan-Joost, gauw! Geef je saxofoon hier, anders gaat-ie helemáál naar de knoppen.”
’t Is Hermine, verdomme! Dat hij nou uitgerekend van die eigenwijze troela afhankelijk moet zijn om zijn kostbare instrument te redden. Hij kan haar gewoonweg niet aankijken als hij zijn saxofoon overhandigt. Zijn gezicht loopt briesend rood aan. Hij kan zich niet meer inhouden en wil haar zijn frustratie vol in het gezicht gaan sneren.
Maar juist op dat moment wordt hij ruw de arrestantenbus ingeduwd.
(c) Han Pijs 2025
Reageren? verhalen@hanpijs.nl