Kort verhaal

Hoe ik me daar in godsnaam mee naar toe heb laten tronen? Ik snap het nog steeds niet. Agaath uit mijn wiskundeklas op 6 gymnasium had me hiervoor met klem uitgenodigd. De jaarlijkse ”thanksgiving vrindenavond”, zo noemden haar ouders het – het kwam suikerzoet uit mevrouws mond – een avond van dankbaarheid. Niet alleen voor hun eigen vrienden en kennissen, ook voor die van hun kinderen. Maar goed. Daar zat ik dan. Aan een van de drie lange tafels in de enorme ontvangstsalon van hun villa. Tussen een stel andere jongemannen, zij allemaal in hemdsmouwen met bretels. Wat ouder dan ik. Ik kende geen van hen. Mijn eigen colbertje van vorige winter was me al wat te strak gaan zitten, merkte ik. De knetterende open haard verderop werd overstemd door geroezemoes en getinkel van glazen. Eind november was het. Wind en hagel geselden de hoge ramen tussen de klapperende luiken. Ik zat ongemakkelijk op mijn stoel. Ik moest eigenlijk al een tijdje nodig naar de wc. Maar ik wist niet waar die was en durfde het niemand te vragen. Die jongens om me heen waren hier schijnbaar kind aan huis, corpsvrienden van Agaath’s oudere broers, vermoedde ik.

Van achter me stootte iemand mij aan. “Blank of bruin?”, vroeg hij. Ik voelde me ineens verstarren en snapte echt niet wat hij bedoelde. Hij stootte me nogmaals aan: “Blank of bruin?!” Toen wees hij op de schaal met vlees in zijn hand. Ineens snapte ik het. Het ging helemaal niet over mij, maar over het kalkoenvlees op die schaal. Ik wees naar het witte vlees, dat hij vervolgens met een zilveren serveertang op mijn bord legde. Agaath zelf had ik sinds mijn binnenkomst helemaal niet meer gezien. Die zat geloof ik met haar vriendinnen twee tafels verderop. De studenten om me heen voerden het hoogste woord terwijl ik in stilte langzaam mijn portie kalkoen verorberde. Toen alle borden om me heen leeg waren, viel er ineens een stilte in mijn hoek van de tafel. Het leek wel of ze mij nu pas voor het eerst opmerkten. Een jongen met een rode krullenbol vroeg met een wat Goois accent: “En jij kaerel, wat studeer jij?”
Alle ogen op mij gericht. Ik voelde me een beetje misselijk en kneep mijn billen samen. “Oh, ik zit nog op school, bij Agaath in de klas. Deze zomer doen we eindexamen. Daarna ga ik denk ik wiskunde studeren.”
“Heel goed, beste kaerel, flink blokken dan maar, he! Dat doen wij ook allemaal! Ha, ha, ha.” Schaapachtig grinnikten zijn vrienden met de rode krullenbol mee.

Ik was goed in wiskunde. Toen ook al. Soms zag ik in de wiskundeles op school dat de leraar op het bord in de tweede regel van zijn ingewikkelde differentiaalberekening al een rekenfout maakte. Dan zei ik gewoon niks. Helemaal onderaan het bord kreeg hij dan in de gaten dat de som niet goed op te lossen was. Zwetend stond zo’n man minutenlang zijn berekening terug te lezen. Als hij ten einde raad hulpeloos de klas rondkeek, liet ik me fijntjes ontvallen: “In regel twee staat: ‘3 pi’, maar het moet natuurlijk zijn: ‘3 gedééld door pi!  Dan klopt hij wél’.” Langzaam opstijgend,  grinnikend gelach van de hele klas was dan mijn beloning.

Agaath en haar drie knappe vriendinnen uit mijn wiskundeklas woonden aan de andere kant van het spoor, de goudkust zoals we dat hier noemden. Ik kende haar vroeger eigenlijk nauwelijks. Tot ik twee maanden daarvoor een keer in mijn eentje in de kantine zat te eten. Helemaal vanaf het trappenhuis kwamen de vier meiden naast elkaar in rechte lijn doelbewust op mij afgezeild. Ik dook in mijn tas voor een boek. Maar ineens stonden ze om me heen. De brutaalste van de vier voerde het woord en duwde Agaath naar voren. ”Toe nou, Agaath! Kom op! Gewoon vragen!” Naast die drie andere rijke meiden viel Agaath op door haar muizigheid. Saai kort kapsel, brave beige kleren en een wat suf gouden brilletje. Ik vond haar niet aantrekkelijk. Besluiteloos bleef ze me aan staan kijken, tot ze weer een duwtje in haar rug kreeg.
“Eh, Manuel, ik eh. Ik heb steeds drieën en vieren voor wiskunde. En dan zal ik zakken voor het examen. Ik snap er steeds helemaal niks van. Maar mag ik misschien een paar keer samen met jou huiswerk maken? En dat jij het dan uitlegt? Eh.. Nou, ja. Het hoeft niet per se hoor…” Agaath keek wat langs me heen terwijl ze het vroeg. Maar de andere drie keken me zo dwingend aan dat ik geen nee durfde zeggen.

En zo kwam ik sindsdien iedere donderdagmiddag in Mariënstate, die enorme rietgedekte villa van Agaath’s ouders. Die lag omgeven door grote bomen in brede groene laan. Op haar kamer zaten we aan haar bureautje te werken. Zo’n meidenkamer met veel roze en zo. Dat was ik niet gewend. Maar dat deed me eigenlijk niks. Ik vond haar als meisje niet echt leuk of interessant. Een keer leek het wel of ze speciaal voor mij wat lippenstift opgedaan had. Soms probeerde ze met mij ook over andere dingen te praten. Ze legde ook weleens even haar hand op mijn knie. Dan wist ik niet meer hoe ik ’t had. Ik concentreerde me dan gewoon op de sommen. Haar moeder keek me altijd goedkeurend aan als ze weer boven kwam met een dienblad. Daarop stonden niet alleen thee en koekjes. Maar ook een mintgroen envelopje met geld voor mij. Ik liep er niet mee te koop dat ik bij Agaath over de vloer kwam. Maar mijn vrienden hadden op school opgevangen dat Agaath tegenwoordig een soort van vriendje had. Ze keken me wel eens veelbetekenend aan.  “Zoohoo, Manuel, jij hebt een wel rijke vrouw aan de haak geslagen…” Ik voelde me daar heel ongemakkelijk bij. Ik droomde echt wel van vriendinnetjes die hun hand op mijn knie zouden leggen. Maar niet van zo iemand als Agaath Doorensteijn-DuBeauchamp.

De studenten om mij heen schonken elkaar nu nog maar weer eens bij terwijl ze elkaar op de schouders sloegen. Hun conversatie werd luider en luider. Ik zat in stilte wat te dagdromen, toen ik ineens een hand op mijn schouder voelde. Agaath’s moeder zat achter me, neergehurkt: “Manuel, wat vreselijk aardig van je jongen! Dat je onze Agaath zo goed helpt met haar wiskunde.” Haar parelkettinkje wiebelde glinsterend in het kaarslicht terwijl ze moeite had om al hurkend haar evenwicht te bewaren. “Ze gaat echt al stappen vooruit door jouw uitleg. Echt fideel van je dat je haar zo wilt helpen. Ach ja, we hebben in onze levens allemaal zóveel om dankbaar voor te zijn, vind je ook niet? Straks mag je trouwens ook wel even naast je vriendinnetje gaan zitten, hoor. Bij het nagerecht hanteren we op onze vrindenavonden altijd vrije tafelschikking.” Ik wilde iets terugzeggen. Maar ze was al weer opgestaan.

“Ach ja, af en toe moeten we goeddoen voor de mensen die het wat minder hebben, hé”, hoorde ik haar achter me tegen iemand fluisteren. Ik kreeg last van mijn maag. Steeds meer. Misschien had ik wat teveel van die kalkoen gegeten. Ze waren niet vervelend hoor, die mensen. Dat niet. Ze deden aardig tegen me. Bijvoorbeeld haar ouders. Maar ze deden het bewust óm aardig te zijn. Tegen iemand zoals ik. Ik voelde tot in mijn vezels dat ik hier helemaal niet bij hoorde, niet thuishoorde. In deze chique kamer met de dure wijn en het bijzondere eten. Nu niet en nooit niet. Die mensen hier vonden dit allemaal heel normaal, deze luxe. Ze hadden geloof ik geen idee hoe gewone mensen leven. Hoe het is als je ouwe laptop kapot gaat en je geen geld hebt voor een andere. Of dat je niet met je klas mee kunt naar Praag. Ik had mijn moeder die avond achtergelaten met een dekentje over haar benen voor het elektrische kacheltje. En nu wilde ik eigenlijk niets liever dan dat ik me terug kon toveren naar de tochtige, kleine woonkamer in ons flatje, daarginds aan de overkant van het spoor.

Het licht werd gedimd en de schuifdeuren gingen open. Er klonk applaus. Grote dienbladen vol enorme ijscoups met brandende sterretjes werden binnengedragen. Toen ik de slagroom erop zag, kreeg ik het gevoel dat ik over moest geven. Ik stond op en liep schrijlings langs de andere tafels in de richting van de hal. Daar zou de wc toch wel zijn? Vier keer liep ik eerst de verkeerde deur binnen. Nummer vijf bleek een heus wc-paviljoen te zijn. Grote goudomrande spiegels, marmeren vloer en wel vier toiletten. Ik klikte mijn wc-deur op slot. Eindelijke kon ik weer gewoon ademhalen. Ik genoot een paar minuten van de rust.

Toen hoorde ik stemmen van twee wat oudere mannen, waarschijnlijk bij de pisbakken. “Ik heb nou een fondsje ontdekt…Oh!  Een góudmijntje! Ook echt wat voor jou! Je stort er iedere maand tien mille in. Let op. Na een jaar krijg je maar honderd euro terug, als rente. Maar honderd! Dat lijkt weinig he. Maar pas op, kerel. Je moet geduld hebben. Na twee jaar krijg je het dubbele terug, dus tweehonderd terug. Na drie jaar weer het dubbele, dus vierhonderd, na vier jaar achthonderd. Enzovoorts. Ik heb ingetekend en alvast ingelegd. Voor vijf-en-twin-tig jaar! Echt. Het zijn duizelingwekkende bedragen die ik straks na mijn pensioen ga vangen.”
“Goeie tip kerel, stuur me maar eens wat op. Een extra goudmijntje is nooit weg.  Ha ha.” Dat was de stem van Agaath’s vader. Ik trok door en kwam aarzelend tevoorschijn uit mijn wc. Agaath’s vader gaf me wat aangeschoten een klap op mijn schouder:  “Ah, daar hebben we ons wiskunde-genie! Ook wat voor jou, jongen? Een extra centje verdienen met beleggingen?”

De andere man vertrok. Ik keek Agaath’s vader aan in de bronsbruine wc-spiegel. Ik merkte nu voor het eerst dat hij kleiner was dan ik. Hij moest naar mij omhoogkijken.
“Nee bedankt. Ik geloof niet in sprookjes. Die bestaan alleen in de Efteling.” Ik was ook een beetje pissig geworden van dat graaierige gepraat: “Dat zogenaamde fonds, nou dat is na zo’n tien jaar al failliet!” Hij keek me vragend aan. “Laat het maar eens narekenen door uw accountant. Ieder jaar de uitkering verdubbelen? Dat is een logaritmische explosie! Na 25 jaar zouden ze u al een al een miljard moeten uitkeren. Een miljard! Waarvan? Van die drie ton die u dan in totaal hebt ingelegd? Nee, dan zitten zij al lang lekker met al uw geld op de Bahama’s.”
Hij schudde zijn hoofd en verliet in gedachten verzonken zijn riante wc-paviljoen uit.

Ik bleef mijn handen nog even wassen en liep ook terug. Van een afstandje stond ik een tijdje naar het luid roezemoezende gezelschap te kijken. Agaath was druk met haar kakvriendinnen in gesprek. Het zag er aanstellerig uit. Hun ogen dwaalden af en toe rond door de ruimte, ook langs mij heen. Maar niemand die mij zag. Ineens was het me duidelijk. Wat deed ik hier eigenlijk nog in dit gezelschap? Ik was hier alleen gevraagd als een soort object van liefdadigheid. Nou, die hoefde ik niet. Ik zocht mijn jas, trok hem aan en keek nog één keer achterom de ontvangstsalon in. Daar trof ik juist Agaath’s blik, ze keek me bevreemd aan. Ik stak mijn hand naar haar op, draaide me om, liep naar de dikke houten voordeur en trok die zachtjes achter me dicht. In de enorme voortuin snoof ik de frisse buitenlucht op. Op de fiets door het tunneltje onder het spoor voelde ik mijn buikpijn eindelijk weer zakken.

(c) Han Pijs 2023