Kort verhaal


Daniëlle beseft dat ze op moet schieten. Nog 21 minuten rijden zegt de tomtom. En de begrafenis begint al over een kwartier. Shit! Haar oude Volkswagenbusje wilde weer eens niet starten vanochtend. Als ze eindelijk in het centrum van Waalwijk parkeert, druipen de bomen van de regen. In de spiegeling van een winkelruit ziet ze zichzelf snel voorbijlopen. Haar wapperende rode haarbos boven haar wijde paarse jurk. Aj, ze heeft in het atelier haar handen niet goed schoongemaakt. Er zit nog gele verf op. Nou ja. Bij de kerk ziet ze dat er gelukkig nog steeds mensen naar binnen schuifelen terwijl de kerkklokken zachtjes na-beieren. Ze is de laatste. Achter haar wordt de zware kerkdeur gesloten. Op de achterste banken is nog plaats. Veel belangstelling, ziet ze. Dat verbaast haar niet want Feliciënne d’ Anquore was beroemd. Haar schilderijen zijn inmiddels onbetaalbaar. Daniëlle is altijd contact blijven houden met haar vroegere tekendocent en mentor.

Voor haar vijftiende verjaardag had Daniëlle nieuwe verfspullen gekregen. Ze was er thuis al lekker mee aan het werk geweest. Die dag zou ze een van haar schilderijtjes aan haar tekenlerares laten zien. Die met die moeilijke naam, Anquore of zoiets. Samen met haar broer Marco was ze naar school gefietst. Op het plein voor het Bisschop Beckers College stond ze in haar eentje onwennig te kijken naar de drukte. Steels opende ze haar rugzak om even een blik op haar schilderijtje te werpen.
Nog maar een twee weken geleden waren ze naar dit Brabantse dorp verhuisd vanuit Rotterdam. Die jongens en meiden in 3-Havo zagen er hier heel anders uit. Ze droegen vormeloze spijkerbroeken in plaats van die coole Cavello’s en Australians. En ze praatten hier allemaal dialect. Daniëlle kon ze maar amper verstaan.

Een wat boers uitziende jongen kwam naar haar toe geslenterd. Ze zag een sarrende blik in zijn ogen. “Héé! Ik ken oe niet. Van wie zij-de gij d’r éne?” Ze keek hem niet begrijpend aan.
“Wat hedde-gij doar? Loat ’s zien!” Grijnzend trok hij het schilderijtje uit haar rugzak en liep er mee weg. “Ha, ha! Wat mot dá nou weer voorstellen?”
Met betraande ogen keek Daniëlle  geschokt in het rond. Toen zag ze Marco even verderop staan. Die rotjongen met haar schilderijtje rende nu vlak voor hem langs. En ineens stak Marco zijn been uit. De jongen viel languit op de tegels. Vloekend. Marco bukte over hem heen en greep het schilderijtje uit zijn handen. “Jij blijft met je tengels van mijn zusje af! Begrepen?!” De jongen vloekte nog harder. Marco greep hem bij de keel. ‘Begrepen, sukkel?!!” De jongen liep nu rood aan, knikte boos, stond op en droop af. Haar oudere broer was altijd al haar steun en toeverlaat geweest. Dat zou hij altijd blijven. Dacht ze.

Na de herdenkingsdienst loopt de kerk nu leeg. De voorste rijen eerst. Bekende gezichten uit de kunstwereld, enkele vips ook. Daniëlle staart er wat dromerig naar. Tot ze ineens een vlammende pijnscheut in haar maag voelt. Haar oog valt op een man in het middenpad. Oh, mijn god. Echt. Wat doet híj hier?! Wat ziet-ie er raar stijf uit! O, jee. Hopelijk heeft hij haar niet opgemerkt. Ze kijkt gauw weg. IJskoude en gloeiende rillingen wisselen elkaar nu af in haar verkrampte lijf. Ze moet bijna overgeven. Ze had hem nooit meer willen zien. Nooit meer! Zó diep had hij haar gekwetst.

Kort na elkaar waren ze allebei het huis uitgegaan om te gaan studeren. Daniëlle naar de kunstacademie in Utrecht, Marco bedrijfseconomie in Rotterdam. Zij was opgebloeid, daar tussen haar creatieve geestverwanten. In haar Utrechtse stamkroeg was die lompe jongen uit Waalwijk nog een keer dronken opgedoken. Maar toen hij haar lastig viel hadden haar vriendinnen hem de deur uitgewerkt. Daniëlle begon kleurrijke fladderjurken te dragen onder haar wilde bos krullen. En Marco liep ineens in pakken. Vaak zelfs driedelig. Op zijn achtentwintigste had haar broer al een luxe appartement aan de Maas. Maar dat verschil gaf niet, had ze steeds gevonden. Ze hield van hem om wie hij was. Ze respecteerde het dat hij zijn eigen weg koos. Al vond ze het eerlijk gezegd wel vervelend dat hij soms nogal neerbuigend praatte over haar werk. Toen ze hem super laatst enthousiast vertelde over een nieuw kunstproject van haar, reageerde hij met: “Sorry hoor. Maar wat levert dat nou helemaal op, al dat al geploeter van jou?”

Daniëlle had er maanden met veel liefde aan gewerkt, een heel groot semi-abstract schilderij moest het worden. Ze wilde uitdrukken hoe belangrijk haar lieve broer al die jaren voor haar was geweest. ‘Marcopolis’, had ze het genoemd, een soort stadgezicht, met afgeronde vormen in warme tinten. Het ademde een sfeer van veiligheid en liefde. Het was een van haar beste afstudeerwerkstukken aan de academie geweest. Ook aan Feliciënne had ze het laten zien. Die was trots dat haar vroegere Havoleerling het zo ver geschopt had.
Veilig in bolletjesfolie verpakt paste het enorme schilderij nog net bij hem in de lift. Stralend had ze ermee bij hem aangebeld op zijn verjaardag. Binnen had ze hem warm omhelsd en gefeliciteerd: “Oh Marco. Je hebt me al mijn hele leven zo gesteund en verdedigd. Daar heb ik je nog nooit echt genoeg voor bedankt. Daarom heb ik iets speciaals voor je gemaakt.” Met verwachtingvolle ogen had ze toegekeken hoe hij het folie voorzichtig van het schilderij afwikkelde. Hij zette het grote schilderij eerst maar eens rechtop tegen de eetbar om het van een afstandje te bekijken.
“Eh jahaa. Dat is wel. Eh wow, zeg. Ja, echt jouw stijl. Bedankt. Eh.. Wat wil je drinken?”

De kerk is nu ondertussen bijna leeggelopen. Daniëlle verbijt zich. Of die vent hier nou rondloopt of niet, ze wil wel waardig afscheid nemen van de lieve kunstenares die altijd zo’n stimulans voor haar is geweest. Ze sluit achter aan in de rij naar het kerkhof. Inmiddels schijnt een schraal zonnetje. Schichtig in het rond kijkend nadert ze het graf. Daar blijft ze even rustig staan. In stilte spreekt ze nog een warm afscheidswoord voor Feliciënne, daar in de kist. En ze voelt onwillekeurig weer steken in haar hart, als ze terugdenkt aan die zwarte zondagavond.

Marco’s volgende verjaardag had hij bij hun ouders gevierd. Daniëlle was er dat weekend ook om hem te feliciteren. Dit keer had ze geen schilderij als cadeau, maar een mooie roman. Met een raar gevoel had ze in de trein terug uit het raam zitten staren. Wat was er toch met haar broer? Er klopte gewoonweg iets niet, maar ze kreeg er de vinger niet achter. Het leek net of hij haar ontweek. Hij keek haar ook steeds niet aan als hij wat zei. En bij het ontbijt bleef hij haar juist uitentreuren vertellen over iets totaal onbelangrijks; wie nou het beste interieurstylist was in Rotterdam. Nou, ja. Hij zou het misschien te druk hebben in zijn nieuwe baan bij ABN-AMRO.
Ze was nog geen minuut thuis geweest toen ze gebeld werd. Het was een vroegere studiegenoot van de kunstacademie. “Wat goed zeg, dat je al schilderijen aan het verkopen bent. Ik zag je werk op marktplaats staan. Mooi werk hoor! Prachtig, echt. Nou, zo ver ben ik nog niet. Maar eh, klopt die prijs wel? Daar is denk ik wat misgegaan. Ik stuur je het linkje wel. Ik zou het maar even controleren.”
Achter haar laptop was het haar zwart voor ogen geworden. Ze kon niet geloven wat ze zag. Tranen van verdriet en woede. Verdomme. Hoe durft-ie?! Die zak van een broer van haar. “Overcompleet wegens nieuw interieur,” las ze. “Mooi groot schilderij ‘Marcopolis’. Moet weg.  Bieden vanaf 15 euro.” Er was één keer overheen geboden. Met twee euro. De hele nacht had ze ervan wakker gelegen. Golvend tussen zwarte woede en gifgroen verdriet. Hij had niet alleen haar schilderij te grabbel gegooid. Hij had háár op marktplaats had gezet. Haarzelf, met al haar liefde voor hem.

Ze loopt in de massa traag mee terug van het kerkhof naar de parkeerplaats, als hij plotseling van opzij voor haar opduikt. Verdomme! Te laat om hem te ontwijken. Zwijgend loopt ze gespannen naast die broer van haar. Dan kan ze zich niet meer inhouden: “Wat doe jij hier nou in godsnaam?!”
“Oh, ze was gewoon een vermogende klant van me, bij Private Banking.” Hij zwijgt even.
“Oh ja natuurlijk, toen ze nog arm was moest ze een tijdje les geven bij ons op school. En jij? Verkoop je nog wel eens zo’n schilderijtje van je?”
Daniëlle ademt geërgerd in. Ze voelt zijn elleboog tijdens het lopen irritant tegen haar aan prikken. Ze laat zich niet uit de tent lokken. Nog vijftig meter tot haar busje, nog twintig, nog tien. Dan stapt ze in en is ze hem kwijt.

Het oude busje wil weer eens niet meteen starten. Marco staat minzaam toe te kijken als ze eindelijk hortend en stotend de parkeerplaats afrijdt. De lúl! Verdomme, verdomme!! Met z’n private banking, z’n krijtstreeppakken en z’n arrogante plank voor z’n kop! Hoe heeft het zó mis kunnen gaan?

Daniëlle is zo in gedachten verzonken dat ze maar rakelings een fietser mist. Grimmig denkt ze terug aan de laatste keer dat ze bij haar broer was. Ze had de volgende dag zelf ook meteen een Marktplaats-account aangemaakt. Als ‘Dan’ had ze hem gemaild dat ze het schilderij vanavond wel op wilde komen halen. Om acht uur, voor dertig euro.
“Okay”, had hij gereageerd. Toen ze ’s avonds aanbelde, keek hij schichtig even de galerij op. “Hé Daniëlle, jij hier? Eh, maar het komt nu eigenlijk niet zo heel erg goed uit. Ik verwacht zo bezoek.”

 “O ja, joh?” Haar stem had geklonken als een fileermes. Zonder er verder nog woorden aan vuil te maken had ze hem opzij geduwd en was ze naar binnen gestiefeld: “Waar staat het? Okay, ik zie hem al.”
Met een vuurrood hoofd moest Marco toe staan kijken hoe zijn zus een papieren zak met euromunten uit haar tasje opdiepte. IJzig kalm wierp ze ze één-voor-één kletterend op de marmeren vloer van haar verblufte broer: “Zo, hier zijn ze. Je dertig zilverlingen!”

(c) Han Pijs 2023