kort verhaal
Rillend en hoestend had Patricia gisteravond de telefoon opgenomen. “Nee, sorry Harco, ik kan morgen niet, ik ben ziek.” Dat was ook zo, ze voelde zich al dagenlang beroerd. Maar ze had zich door haar neef met zijn zachte, dwingende stem natuurlijk weer eens om laten praten. Hij had, achteraf gezien, ook wel wat paniekerig geklonken. “Ik heb je morgen echt even nodig, Patries, het is maar voor een paar uurtjes. Een klein simpel klusje…… En, nee ik kan je nu niet vertellen waaróm je het moet doen. Vertrouw me maar. En, eh. Nee, ik kan het zelf niet doen, ik zit morgen voor belangrijke zaken de hele dag in Amsterdam. Okay? Nou fijn dat je het wil doen. Zo ken ik je weer, meid!”
Patricia was weer eens voor de bijl gegaan.
Die Harco. Met zijn branie-lachje onder zijn jongensachtige bos krullen. Met al zijn zaakjes en zaken. Als neefje en nichtje al hadden ze al samen in de zandbak gespeeld. Daarna samen gepuberd, en elkaar tegengekomen in het uitgaansleven. Nu, als dertigers, af en toe nog steeds in de stamkroeg op de markt. Ze pasten in de vakanties op elkaars huizen. Al die jaren had Harco zo veel voor haar gedaan; meegedacht, geklust, dingen geregeld. Ze had echt het gevoel dat ze haar hulpvaardige neef niets kon weigeren. Ze stond bij hem in het krijt. En nu helemaal. Drie maanden geleden was haar moeder onverwachts overleden. Haar lieve moeder die er altijd zo prachtig uitzag met haar zelfgemaakte kleding en haar glinsterende sierraden. Patricia was in shock geweest. En weer was het haar neef die haar in haar grote verdriet als vanzelfsprekend en onvermoeibaar troostte. En haar hielp om adreslijsten te zoeken, een rouwkaart op te stellen en de begrafenis te regelen.
En daar zat ze nu. In het koude, betonnen bushokje. Dikke muts op haar hoofd. Met drie truien onder haar namaakbontjas. Proestend, niesend en rillend van de kou. ‘Verdomme Harco, wat is dit nou voor stomme klus? Waarom moet ik nou in godsnaam uitkijken of –ie hier langs komt rijden. Een man met een baard in zo’n donkerblauwe Volvo Amazone, zo’n kattenrug uit de jaren vijftig van de vorige eeuw. En als ik die langs zie komen, kan ik weer naar huis. Ja, ja, wat is dat nou voor raars?’ Patricia voelde zich er voor gek zitten.
“Ik hoor dan later wel van je of-ie langs is gereden,” had Harco gisteren aan de telefoon gezegd. “Het is gewoon heel belangrijk dat ik weet of die man wel of niet in de stad is geweest. Nee, sorry Patries, meer kan ik je er niet over vertellen.”
Het maakte haar onrustig. Had haar neef schulden? Werd hij bedreigd? Misschien konden Harco’s zaakjes het daglicht niet echt velen. Harco wilde haar nooit vertellen wat voor zaken hij deed. “Ach dat is maar saai voor jou, Patries! Heb je nog een koud pilsje voor me?”
Ze had Harco’s steun gisteren niet op het spel durven zetten. Voor klusjesmannen had ze nooit geld gehad. Haar neef deed altijd alles voor haar. En ze hoefde haast nooit iets terug te doen voor hem. Nou, ja behalve dit dan. Gelukkig had ze nu geërfd van haar moeder. Dat was wel iets raars trouwens. Het contact met Harco had altijd heel vertrouwd gevoeld, maar wanneer hij tegenwoordig af en toe naar haar erfenis informeerde, merkte ze dat ze daar niet met hem over wilde praten.
Wie en wát ze ook allemaal voorbij zag komen, geen enkele oude donkerblauwe Volvo Amazone met een man met een baard erin. Ze twijfelde nog wel even bij een licht-zilverblauwe die aan kwam rijden. Maar daar bleek alleen een blonde vrouw in te zitten. Patricia had nooit gedacht dat het zo vermoeiend was om op iets te letten wat niet langskwam. Steeds dacht ze, zou ik even iets gemist hebben of zo? Dan lette ze weer extra goed op.
Om half tien was ze hier gaan zitten zoals afgesproken. Op het ijskoude houten bankje van het betonnen bushokje aan de Rijksstraatweg. Met uitzicht op de rotonde. Ze voelde haar verkleumde billen haast vastvriezen aan het hout. Lijn 24 was al drie keer langsgekomen, lijn 17 al vijf keer. Steeds nieuwe groepjes mensen kwamen en vertrokken met de bus. De buschauffeurs hadden – vóór ze vertrokken – haar door de geopende deur steeds nog even vragend aangekeken. Maar nee, Patricia hoefde niet mee. Ze bleef. Had ze nou maar wat warms meegenomen. Een thermosfles met hete chocolademelk, ze zou er nu heel wat voor over hebben.
Toen het weer even rustig was op straat verviel ze terug in gepeins ‘Harco verdomme, waarom moet ik hier op de uitkijk zitten? Wie is die man in die Volvo dan, waar ik naar uit moeten kijken? Bedreigt hij jou? Handel je soms in drugs? Jongen, ben je in gevaar? Ben je daarom naar Amsterdam gevlucht?’ Haar gepeins werd onderbroken toen een keurige grijze heer in een lange jas naast haar op het bankje kwam zitten. Toen ze even later weer eens bijna stikte in een hoestbui, zei hij: “Dat klinkt als een gevaarlijk hoestje, mevrouw. U zou misschien beter naar huis gaan en in bed kruipen.“ Dat beeld van haar warme bed vestigde zich als een heerlijk fata morgana in haar hoofd.
En ineens, ineens was Patricia het zat. Helemaal zat! Ze zat hier nou al anderhalf uur te kleumen met haar zieke lijf. Harco had niet gezegd, hoe lang ze hier moest blijven zitten. Nou, zij was er klaar mee! Het opstaan ging moeizaam. Toen pas merkte ze hoe verschrikkelijk stijf ze geworden was. Haast bevroren. Op stramme benen wankelde ze naar huis. Ze had het zelfs te koud om onderweg Harco te bellen dat ze ermee ophield.
Achteraf wist ze eigenlijk zelf niet waaróm. Maar ze sloop haar eigen huis heel stilletjes binnen. Niet zoals gewoonlijk via de voordeur, maar achterom via de bijkeuken. Daar belde ze haar neef op. Zijn stem klonk wat verschrikt toen hij opnam. Maar het vreemde was. Het leek wel of ze vlak daarvoor boven in haar huis een ringtone had gehoord. En voetstappen. Dat verwarde haar.
“Waar zit je Harco?”
Hij klonk geïrriteerd: ”Ja, in Amsterdam, dat weet je toch?” Ze bleef even stil. En dacht na.
“Okay, het komt je nu niet goed uit, geloof ik hé? Ik bel je later wel weer. Ik zie je.” Ze hing gauw op.
Haar hart klopte als een razende in haar keel toen de waarheid langzaam tot haar doordrong. Ze had Harco’s basstem niet alleen in haar telefoon gehoord. Nee! Ook rechtstreeks. Via het trapgat. En die ringtone daarboven, dat was Harco’s ringtone geweest. Verdomme! Harco was ongevraagd in haar huis. Boven aan het snuffelen. Hij had haar weggelokt en ze was er ingetrapt.
Patricia’s ijskoude lijf maakte haar ineens ongekend daadkrachtig. Ze sloop weer naar de bijkeuken en belde fluisterend 112: “Er zit een inbreker boven in mijn huis. Ja, een inbreker, ik kan hem horen. … Ja, ik weet het zeker…… Ja, ik woon hier alleen….. Kom gauw alstublieft. Niet aanbellen. Ik zit achter in de bijkeuken. Die deur is open.”
De voorafgaande anderhalf uur in de ijskoude bushalte hadden maar een fractie geleken van de zeven ellenlange minuten die ze nu moest wachten op de politie. Haar hart klopte bovenin in haar keel. Patricia haalde opgelucht adem toen ze eindelijk twee politieagenten naar binnen zag kijken. Ze wees hen de weg de trap op. Beneden in de gang spitste ze haar oren. Op de overloop hoorde ze barse stemmen, gestommel en hard gevloek. Dat gevloek, dat was Harco’s stem. Toen bleef het een tijdje stil.
Geboeid kwam hij met de twee agenten de trap af, haar bloedeigen neef. Een van de agenten had haar moeders juwelenkistje in zijn hand. “Dat kunt u misschien beter niet meer thuis bewaren, mevrouw. Een prooi voor inbrekers zoals deze.”
Het was haar liefdevolle erfenis geweest, haar kapitaal, haar toekomstdroom. Daarom had ze het zó goed verstopt achter de zolderbalken. Maar die verdomde Harco had blijkbaar feilloos bedacht waar zijn nicht zoiets zou verstoppen.
Pas toen de agenten Harco meegenomen hadden, drong de pijn tot Patricia door. Met donderend geweld voelde ze het kaartenhuis van haar leven ineenstorten. Daarna daalde langzaam een onpeilbaar diepe stilte neer over huis. Patricia wankelde en zocht steun op de onderste traptrede.
Toen barstte ze plots uit in huilen. Hartverscheurend, eenzaam huilen.
(c) Han Pijs 2023
Reageren? verhalen@hanpijs.nl