Kort verhaal

Het lijkt wel een feestelijke optocht, al die felgekleurde gigantische Amerikaanse trucks op de weg. Met hun twee blinkende, rechtopstaande uitlaten naast de cabines lijken ze zo uit een roadmovie weggereden te zijn. Af en toe laten ze hun meertonige hoorns door de rode avondlucht schallen. Het is lekker zwoel weer, deze vrijdagavond laat. Maarten is moe van de avonddienst in het ziekenhuis. Op zijn veertigste beginnen die onregelmatige uren als verpleegkundige op de kraamafdeling wel zwaarder te wegen. Maar hij kijkt tevreden terug op de drie baby’s die vandaag de couveuse mochten verlaten. Altijd fijn om nog even te kunnen lopen van het werk naar huis. Op naar een vrij weekend.

Vijftien, zestien, zeventien van die show-vrachtwagens halen hem onderweg in. Er was zeker zo’n ontmoetingsdag voor truckers, denkt hij. Hij loopt de hoge, steile kanaalbrug over. Zoals altijd zo ver mogelijk bij de railing vandaan. Bijna thuis. Ontspannen daalt hij weer af en stapt in gedachten verzonken het laatste zebrapad op. Vanaf de overkant loopt een groepje mensen hem tegemoet. Halverwege het zebrapad hoort hij ineens een mannenstem achter zich: “Hee, Maarten!” Wie is dat? Verbaasd draait hij zich om, loopt terug en kijkt hem aan. Zijn maag herkent hem eerder dan zijn geheugen. Als hij in die ogen kijkt, voelt hij maagkramp opkomen. Die snerpende stem maakt het nog erger: “Maarten, dat is lang geleden. Zeg vriend, vooruit, help me eens even!” Maarten’s buikpijn wordt vermengd met gloeiendhete drift.

Hij is ineens weer de puber uit 4-Havo van zo’n vijfentwintig jaar geleden. Hij was toen juist naar dat dorp verhuisd en had nog geen vrienden op school. Jeffrey, zo heette die jongen. Jeffrey met zijn helblonde kuif, die toen op een nieuwe, peperdure scooter in het dorp rondreed. Vaak met zo’n trots kijkende meid achterop. Er werd gefluisterd dat hij dealde. Maar zijn pa met het garagebedrijf zat ook goed in de slappe was. Als een koning zag Maarten Jeffrey altijd heersend over het schoolplein schrijden. Omringd door zijn vazallen die bewonderend lachten om al zijn opmerkingen. Jeffrey zocht makkelijke slachtoffers om te kunnen sarren. En Maarten had toen nog geen vrienden daar. Als Jeffrey bij je in de buurt liep, siste-ie je dingen toe als: “Ga eens even ergens anders heen. Zo’n loser als jij wil ik niet in mijn buurt hebben!”

Maarten ziet weer voor zich hoe ze met de hele klas op vormingsweek gingen in de Ardennen. Nadenken over hun toekomstplannen. Maar ook van die groepsgesprekken voeren over de maatschappij en over vertrouwen in andere mensen. Ze deden ook vertrouwens-oefeningen. Je moest dan met je ogen dicht gaan staan. Voor en achter je stond een klasgenoot. Vervolgens moest je je voorzichtig achterover laten vallen. Degene achter je zou je dan opvangen en zachtjes een zetje voorwaarts geven in de richting van degene die vóór je stond. Zo veerde je heen en weer tussen twee klasgenoten. Zo kon je lijfelijk ervaren dat je anderen kon vertrouwen. Dat je werd opgevangen en dat ze je niet op de grond lieten smakken. Hij moest toen eerst wel een paar keer slikken. Want het was uitgerekend deze Jeffrey die achter hem stond. Maar de mentor stond er naast te kijken. En Jeffrey ving hem netjes op. Grijnzend keken diens gifgroene ogen hem na afloop aan.

Een dag later moesten ze in vier taxibusjes de heuvels op om van daaruit terug te lopen. Helaas was er alleen nog plaats in het busje met Jeffrey en zijn vrienden. Ze werden met een landkaart afgezet boven op een rotsige heuvel. Hij probeerde zich wat onzichtbaar te maken en drentelde een tijd lang een eind achter het groepje aan. De zon scheen en beneden in de diepte zag hij de glinsterende rivier en het vormingscentrum liggen. Het pad maakte een bocht om een grote rots en werd toen heel smal. Het liep vlak langs een flinke afgrond zonder hek of zoiets. En daar stond Jeffrey hem onverwachts op te wachten: “Zo Maarten, nou weet je voortaan dat je me kunt vertrouwen hè! Oh, vertrouwen is zó belangrijk. Weet je wat? Wij hebben net nog een nieuwe oefening bedacht die we allemaal gaan doen. En jij gaat als eerste.” Maarten bleef – haast bevroren – staan. Maar plotseling stonden alle jongens om hem heen. “Jij durft zeker niet hè? Slappeling!” Hij voelde vier handen op zijn schouders.

Jeffrey keek hem dreigend aan: “Of vertróuw jij mij soms niet, Maarten?!” Nee. Natuurlijk wilde hij niet en hij vertrouwde ze voor geen cent. Hij wilde uitroepen, maar zijn mond was kurkdroog. Achter zich hoorde Maarten een ingehouden gegniffel. Hij wist niets meer uit te brengen. Durfde haast niet meer te ademen. Ineens drukten ze zijn armen achter zijn rug en bonden hem hardhandig een sjaal voor als blinddoek. Hij zag niks meer en kon zich niet verzetten tegen deze overmacht. Toen klonk Jeffrey’s stem zoet en dreigend tegelijk: “Vooruit Maarten, we gaan samen op pad. Vertrouw me maar.” Hij kreeg een duwtje naar voren. Links en rechts werd hij vastgehouden. Hij zag niets en voelde niet waar hij zijn voeten veilig neer kon zetten op de rotsige bodem. Zo voerden ze hem een hele tijd geblinddoekt mee. Wat de jongens smiespelden kon hij niet verstaan. Hij zweette over zijn hele lijf. Ineens stonden ze stil. Daar voelde hij de wind in zijn hals waaien. De handen links en rechts lieten hem los. Er werd aan zijn blinddoek gefrutseld. Jeffrey siste in zijn oor: “Verrassing!!!” Ineens verdween zijn blinddoek. Toen zijn ogen weer aan het felle licht gewend waren, viel hij haast flauw. De bomen beneden in de diepte leken wel onkruidjes, zo klein. Hij stond op het uiterste randje van een honderd meter diep afgrond. Angst kolkte door zijn lijf. En toen… Toen voelde hij…. Hij voelde een hand in zijn rug. Een hand die hem… Die hem naar voren begon te duwen. Die eindeloze afgrond in. Hij begon al voorover te hellen. Totaal machteloos. De diepte in. De dood tegemoet.

Tot hij op het laatste moment bij zijn broeksriem gegrepen werd, terug omhooggetrokken en hij van dichtbij in Jeffreys gemeen grijnzende ogen keek: “Loser! Ik zei toch dat je me moest vertrouwen!” Jeffrey snoof een paar keer opzichtig met zijn neus in het rond. “Jongens, ruiken jullie dat ook? Wat is dat voor een meur?” Hij wees naar Maarten’s natte shirt. “Het stinkt hier naar ángstzweet. Gédverdérrie!!” Hij duwde Maarten ruw van zich af. Alom luid gelach. Beschaamd draaide Maarten zich om en schuifelde in zijn eentje bij hen vandaan.

Wonderlijk, hoe zulke jeugdherinneringen in één flits terug kunnen komen, ’s avonds laat, halverwege een zebrapad op weg naar huis. Jeffrey was later dat schooljaar van school gestuurd. Maarten had hem sindsdien nooit meer gezien. En nu kijkt Maarten omlaag naar een gigantische scootmobiel waar deze Jeffrey in blijkt te zitten. Van de knappe jongen van vroeger is niets meer over. Zijn gezicht is grauw en pafferig. Zijn haarlok veranderd in een slordige pluizenboel. Alleen zijn snerpende stem is nog even irritant als vroeger.
Ze kijken allebei tegelijk opzij door plotseling ronkend motorgeluid. Vanaf de hoge brug komen in de verte weer van die grote Amerikaanse trucks naar beneden gereden, hun kant uit.
Jeffrey port Maarten in zijn zij: “Zeg. Mijn accu is ineens leeg. Duw jij me eens even naar de overkant!” Hij staat daar inderdaad levensgevaarlijk stil, met zijn scootmobiel midden op de zebra. De truckmotoren brullen. De ene truck probeert de ander in te halen. Ze komen nu naast elkaar op hen afgereden. Een kleine driehonderd meter nog. Jeffrey klinkt ineens dringend: “Maarten, duw me. Ik krijg mijn gordel niet los!” Zweetdruppels lopen over zijn schilferige voorhoofd. “Toe! Help me!”

Maarten’s tweestrijd duurt maar heel even. Tot zijn eigen verbazing hoort hij zichzelf zeggen: “Waarom zou ík jou in godsnaam gaan helpen man? Doe het lekker zelf, stoere jongen!” Hij draait zich om en doet of hij wegloopt. Achter zijn rug huilt Jeffrey nu van paniek: “Maarten, Maarten. Help! Hèèelp!!!” De twee enorme vrachtwagens denderen nu naast elkaar recht op de zebra af. Een kleine tweehonderd meter nog. Hooguit. Maarten draait zich om en sist van achteren in Jeffrey’s oor: ”Verrássing!!! Net als jij toen voor mij had in de Ardennen, weet je nog? Maar eerst nog even een vraag, Jeffrey. Wie van ons tweeën is hier de sukkel? Denk maar rustig na, we hebben alle tijd.” Jeffrey blijft koppig zwijgen. Op vijftig meter afstand hebben de racende trucks hen nu blijkbaar in de gaten gekregen. Claxons loeien. Remmen piepen uit alle macht. Maar het is al te laat om nog te kunnen stoppen. Uit de scootmobiel komt alleen nog een paniekerige piepstem: “Sorry Maarten!” Erg overtuigend klinkt het niet.

Maar vlak voordat de vrachtwagens hen zouden verpletteren, duwt Maarten de loodzware scootmobiel natuurlijk toch naar de overkant. Achter zijn rug voelt hij de windvlaag van de voorbijrazende twintigtonners. Maarten snuift. Hij ruikt poep. En zijn wraakbehoefte is nog lang niet gestild: “Gedverderrie, Jeffrey. Je hebt in je broek gescheten!” Verslagen kijken Jeffrey’s ogen hem vanuit hun pafferige oogkassen aan. Maarten staat even uit te hijgen voor hij verder kan gaan. “Nog één ding, lafbek. Ik wil jou hier nooit meer in mijn buurt zien! Volgende keer duw ik je eigenhandig voor de vrachtwagen. Duidelijk?” Uit de ineengedoken gestalte komt alleen nog maar een soort zacht gepiep wanneer Maarten bij hem vandaan loopt.

Thuisgekomen staat hij wel een kwartier uit te hijgen. Stijf van de adrenaline. Hij schenkt een fikse borrel in. Als een eindeloze film blijven de beelden door hem heen gaan. Mijn god! Wat heeft hij in hemelsnaam gedaan? Hij schrikt van zichzelf. Nee, hij voelt zich bepaald niet trots op de harteloze klootzak die hij vanavond was geweest. En zijn moeder en zijn collega’s in het ziekenhuis zouden dat zeker ook niet zijn.

Maar stiekem, stiekem is hij het eigenlijk wel. Er is eindelijk recht gedaan. Tevreden schenkt hij zichzelf nog eens bij.

(c) Han Pijs 2024