Kort verhaal


Verdomme, waar kan dat stomme briefje nou toch zijn? Harwin voelt zijn buik samentrekken van angst en spanning. In zijn bureaula? Nee. Tussen zijn onderbroeken misschien? Nee, ook niet. Dan tóch op de schoorsteenmantel? Nee, nee, nee. In de grote spiegel boven de schoorsteenmantel ziet hij zijn eigen rommelige vrijgezellenwoonkamer weerspiegeld. En zichzelf als een schim. Ongekamde grijze haren en wat grauw in zijn gezicht van de zoveelste beroerd geslapen nacht. Shitterdeshit, hoe kan dat nou toch? Voor de zeventiende keer maakt hij zijn hele werktas leeg. Maar nee.

Zou Mounhira, zijn schoonmaakster er misschien iets van weten? Of – hij betrapt zich beschaamd op de gedachte – zou ze het zelf meegenomen hebben? Nee, dat kan niet. Ze is goudeerlijk. De woensdag daarop treft hij haar nog net als hij uit school thuiskomt. Ze heeft haar jas al aan en wordt rood:  “Nee meneer. Ik heb niets weggegooid. Ik heb vorige week gewoon al het oud papier opgeruimd en in de doos in de trapkast gedaan. Zoals altijd, toch?” Dan wordt het Harwin ineens zwart voor de ogen. Hij zijgt met slappe spieren neer op de onderste traptrede als hij het weer voor zich ziet. Die doos oud papier, die heeft hij vorige week zelf aan de straat gezet. Zèlf!

Uren ligt Harwin te woelen die nacht. In zijn halfslaap ziet hij voor zich hoe een oudpapierophaler verbaasd opkijkt als hij Harwin’s briefje uitdagend en vrolijk door de lucht ziet dwarrelen. Hoe hij het  gauw weggrist en in zijn zak steekt. Hoe die vent dan thuis op de computer gaat kijken. Hoe zijn grote ogen,  vol ongeloof, oplichten van gelukkige verbazing.

Dit zou Harwins kans zijn geweest. Zijn grote kans. Al die jaren hadden die klassen vol ongeïnteresseerde pubers hem glazig aan zitten kijken. Als hij vertelde over verre landen, zaten ze alleen maar op de zoemer te wachten. Hij is het al jaren beu. Maar de VUT bestaat niet meer. Eindelijk, eindelijk zou hij nu zelf in stijl hebben kunnen gaan reizen.  Naar al die landen waar hij als aardrijkskundeleraar alleen maar over had staan praten…  Marokko, IJsland, of zelfs Zuid-Afrika. Hij had zich al zien lopen in zo’n wereldstad, voorzien van stijlvolle bagage van een duur merk.

‘Het was ook te mooi om waar te zijn, jongen’. Zoiets zou zijn oude moeder gezegd kunnen hebben. ‘Dat soort geluk is niet weggelegd voor ons soort mensen, Harwin. Wij moeten gewoon hard werken voor ons brood en zorgen dat we altijd netjes voor de dag komen.’ Dat besef is bij Harwin uiteindelijk ook binnengedrongen. En zo heeft hij langzaamaan zijn verlies genomen en is gewoon maar weer doorgegaan met werken. Met lesgeven, onder andere over zijn droomlanden overal in de wereld. Maar het valt hem wel op dat die kinderen tegenwoordig echt beter opletten in zijn klassen. Misschien legt hij er nu toch meer enthousiasme in. En ach, eigenlijk bevalt dit leraarsbestaan hem ook niet zo slecht. In de maanden die volgen denkt hij steeds minder vaak aan dat verloren briefje. De pijn ebt langzaam weg.

Dan breekt, met een mistig ochtendzonnetje, zaterdag veertien januari aan. Die datum staat onbewust toch, ergens ver weg, in zijn achterhoofd gegrift. De laatste inleverdag. Harwin is thuis aan het opruimen. Toevallig eigenlijk. Hij heeft het al maanden een grote rommel laten worden in zijn werkkamer. En nu is hij het ineens zat. Hij ruimt alle planken van de boekenkast op, ordent zijn bureaulades en haalt de enorme stapels vaktijdschriften uit de vensterbank weg. En zo, zo valt zijn oog ergens op. Ongewild. Hij beseft eerst nog niet echt wat hij ziet. Dáár, achter de radiator. Ligt daar niet iets in die smalle donkere ruimte? Wat is dát? Ineens herkent hij iets. Een kleurig logo. Het zal toch… Het zal toch verdomme niet…?

Harwin gaat languit op de vloer liggen. Met uiterste inspanning kan hij met zijn uitgestrekte arm het papier nog net achter de radiator vandaan pulken. Hij kan zijn ogen niet geloven. Het is zijn lot. Hij heeft zijn winnende lot terug! Eindelijk. En het is nog net niet verlopen. Hij kan het nog nét inleveren. Alleen vandaag nog! Harwin heeft geen tijd om het stof van zijn kleren af te kloppen. Nee, hij rent naar zijn computer en checkt voor zoveelste keer de site van de loterij. Hij haalt een paar keer diep adem. Dan typt hij met zijn wijsvinger,  langzaam en zorgvuldig, een-voor-een de dertien cijfers van zijn lotnummer in. Hij voelt zijn hart in zijn keel bonken terwijl hij wacht. En jawel hoor. Het nummer klopt nog steeds. Hij heeft gewonnen. Hij, Harwin. Gewonnen! Wie had dat gedacht? Hij kan gaan reizen.

Breed glunderend zit hij het plaatje van zijn prijs te bekijken. Tegen een sfeervolle achtergrond van de Eiffeltoren bij zonsondergang staat zijn prijs in volle glorie uitgestald. Zijn glanzende vierdelige, echt kalfsleren Samsonite reiskofferset, met bijpassende schoudertas en portefeuille. Tevreden staart Harwin uit het raam. 

(c) Han Pijs 2023